Follow by Email

donderdag 29 september 2016

Horend in een doof lichaam

In de dovengemeenschap maakt men onderscheid tussen doof met een kleine -d- en doof met de hoofdletter -D-.
Doof met de kleine -d- houdt in dat je je doofheid ervaart als een beperking. Als iets waar je niet blij mee bent en onhandig vindt. Het kan je leven negatief bepalen.
Doof met de hoofdletter D houdt in dat je je identiteit ontleent aan je doofheid. Je bent Cultureel Doof. Je bent er trots op dat je doof bent en je maakt deel uit van de dovengemeenschap.
Binnen de dovengemeenschap is mij die vraag wel eens gesteld: "ben je doof met de kleine of hoofdletter -D-?".
Ik antwoordde altijd: "hoofdletter D natuurlijk!".
Dat was in het begin, toen ik pas kwam rondsnuffelen binnen de dovengemeenschap. Dat is nu ongeveer 12 jaar geleden.
Alles was nieuw voor mij. Ik vond het machtig interessant hoe doven met elkaar een eigen culturele groep vormden; met eigen theatervoorstellingen, gebarencafés en dovensport (nou ja, ik ben niet sportief aangelegd, maar er worden toernooien georganiseerd door doven, voor doven. Daar ben ik dus wel eens wezen kijken, twee keer of zoiets ;-).

Maar nu begin ik me steeds meer af te vragen of ik echt doof met de hoofdletter -D- ben.
Maar volgens mij is het niet zo zwart-wit als men zou willen. Volgens mij zijn er heel veel tinten grijs, en ben ik de ene keer doof met de kleine letter -d- en de andere keer doof met de hoofdletter -D-.

Een voorbeeld; ik liep in het bos met de hond. Verderop stond een meneer die bij mij in de buurt woont. Hij stond aandachtig naar een boom te kijken en toen hij me zag aankomen, begon hij tegen mij te praten. Maar ik verstond hem niet, dus ik zei dat.
Hij begon een beetje met ondersteunende gebaren te vertellen over de wind in de bomen, maar ik snapte niet zo goed wat hij bedoelde. Hij uitte zich een beetje onhandig.
Het was een beetje onbenullig naar mijn idee, dus ik ging er verder niet op in. Keek een beetje mee naar de bomen, en wist niet meer te zeggen dan: 'ja, het is wel mooi!'..
'Jeetje', dacht ik later, 'waar ging het over?'.
Zie je het voor je, twee mensen in het bos, die naar de toppen van de bomen staan te kijken, en de een niet wetend wat de ander nou precies bedoelt met die wind?

Maar toen ik verder liep, realiseerde ik me dat niet alleen ik, maar ook hij zich beperkt voelde. Ik omdat ik hem niet kon verstaan, en hij omdat hij niet wist hoe hij het me duidelijk kon maken.
Ik voelde me op dat moment doof met de kleine letter -d-, en hij wellicht horend met de kleine
letter -h-   :-)

Pas geleden was Gebarentaal voor Iedereen (een onderneming van mijn compagnon en mij) bij een live uitzending van een jongerenzender uitgenodigd, om iets te vertellen over Gebarentaal.
Ik zou namens Gebarentaal voor Iedereen erheen gaan.
De uitzending was interactief, dat wil zeggen dat jongeren via sociale media konden reageren op wat ik vertelde, en op hun reacties kon vanuit de studio meteen worden ingespeeld.
Dit houdt in dat de communicatie in de uitzending snel ging..ik schakelde hierdoor gelijk over op gesproken Nederlands, en mijn gebaren vielen helemaal weg.
Hierdoor werd het programma helaas niet toegankelijk voor dove mensen.
Na de uitzending kreeg ik het op mijn kop van twee goede vrienden van mij.
De opmerking: ' hoe kan je nou over Gebarentaal praten en het zelf niet gebruiken?' sneed als een mes door mijn ziel.
Ik wist zeker dat de dovengemeenschap heel teleurgesteld zou zijn.
Logisch, ik ben zelf ook altijd teleurgesteld als er een programma is over doofheid en gebarentaal, en het is niet te volgen.
De schaamte was groot. Mijn letter -d- was klein...

Maar zelfonderzoek is mij niet vreemd, dus ik ben gaan analyseren hoe dat komt. Waarom is dit gebeurd?
Waarom praatte ik met stem, zonder gebaren, in een tv uitzending over Gebarentaal?

Van te voren had ik namelijk wel nagedacht over de communicatie.
Ik wist dat ik, door mijn eigen stem te gebruiken, duidelijker kon zijn voor horenden over Gebarentaal en doofheid, dan als ik het in Gebarentaal had gedaan. En omdat de doelgroep van de live uitzending overwegend horende jongeren zijn, wilde ik mijn stem gebruiken, ondersteund met gebaren.
Zo had ik het voor mijzelf besloten. Echter in de praktijk vielen mijn gebaren weg, en leek het net alsof daar een horende in de uitzending zat. Een horende in een doof lichaam.

En ja, zo voel ik me regelmatig. Horend in een doof lichaam. Doof met een kleine -d-, maar ook doof met de grote -D-.
Want Gebarentaal maakt alles toegankelijk voor mij, terwijl ik met mijn stem heel goed mezelf kan uitdrukken en duidelijk kan maken wat ik te vertellen heb.
En dat ben ik:  Niet met kleine letter of grote letters, maar gewoon Iris!



wil je de uitzending terug kijken? klik dan op de volgende link:
https://www.youtube.com/watch?v=C8GzvLQVQSo
lieve dove mensen, dit is helaas NIET ondertiteld, sorry :-(

Wèl ondertiteld is via deze link https://www.youtube.com/watch?v=RJnyVBbgtwo (een compilatie van de uitzending).

Wil je meer weten over de onderneming die ik samen met mijn compagnon Tom heb: www.gebarentaalvooriedereen.nl
























maandag 12 september 2016

Later als ik groot ben...


Later als ik groot ben...
Ieder kind fantaseert daarover en dromen over grootse beroepen zoals kapper, piloot, brandweerman of schooljuffrouw.
Ik droomde niet over een beroep voor later, maar wat ik wel dacht was, als ik later groot zou zijn, ik weer zou kunnen horen...
Ik heb een periode gehad in mijn jeugd, dat ik ervan overtuigd was dat dat zou gebeuren.
Als je erover nadenkt, is het ook logisch. Ik was in mijn hele jonge leventje nog geen volwassen doof persoon tegen gekomen. Iedereen was goed horend, dus het kon niet anders of ik zou wel over mijn doofheid heen groeien.

Toen mijn broertje naar de peuterspeelzaal ging, ik zal een jaar of 8 zijn geweest, speelde hij veel met een jongetje uit de buurt.
Weer een tijd later, ik denk rond mijn 10e levensjaar, werd ik me ervan bewust dat de ouders van dat jongetje, net als ik, ook doof zijn.

Ik kan me nog een voorval herinneren; ik moest mijn broertje ophalen bij dat jongetje thuis.
Ze woonden twee straten verderop. Ik ging er op de fiets heen, en belde aan. Ik zag binnen allemaal lampen flitsen en schrok er best wel van. Het zag er raar uit. Toen kwam de moeder aan de deur, en ze had een hele vreemde stem en ze deed haar gezicht zo raar (was gewoon mimiek en gebarentaal wat zij deed).
Ik wist dat echter niet, ik had nog nooit deze vorm van communicatie gezien en kon alleen maar denken: 'is ze niet goed bij haar hoofd?'.

Die moeder is een ontzettend lieve vrouw, maar zij bracht mijn wereldbeeld aan wankelen.
'Zijn alle doven zo?', vroeg ik me af. Maken ze allemaal zo'n rare gebaren en trekken ze allemaal van die vreemde gezichten erbij?
Ik vond het zeer confronterend.
Mijn hele wereld bestond uit 'normale' mensen en ik wilde hetzelfde zijn als iedereen en niet anders. Dus diep in mij nam ik een besluit en dat was dat ik nooit met dove mensen wilde omgaan. Daar kon ik me niet mee identificeren.

Op het schoolplein hadden we in een groepje ook gesprekjes over later als we groot werden, hoe het dan moest. Daar maakten we ons best druk over.
Want als je slechthorend bleef, maar je wilde wel een baby, hoe deed je dat dan? De beste oplossing was volgens ons een horende partner te nemen, die kon je dan bij alles helpen.
(even tussendoor: over het woordje -slechthorend-; ik gebruikte dat woord altijd als kind; 'ik ben slechthorend', want dan leek het niet zo erg. Doof zijn was in onze optiek ernstiger en heftiger)

Ik had dus een negatief zelfbeeld met betrekking tot mijn doofheid, zag mezelf als iemand met een beperking. Iemand met een aandoening, iemand die niet volledig was.
Maar dat liet ik naar de buitenwereld toe niet merken. Het leuke van doof-zijn is dat je het goed kan verbergen. Het is niet zichtbaar. Dus daar maakte ik dankbaar gebruik van :-)

In mijn geval ging dat best ver. Ik had overlevingsstrategieën waar men zich helemaal niet van bewust was. Nu weet ik dat er meer doven zijn, die hetzelfde deden.
Ik zal er een paar noemen;

1. Gewoon anderen nadoen: bijvoorbeeld tijdens de gymles. De docent geeft instructies. Ik verstond dat nooit, maar hield mijn mond. Als we dan moesten beginnen, dan keek ik gewoon heel goed om mij heen, en deed na wat anderen deden. Zo leek het net of ik alles gewoon verstaan had. Handig toch?

2. In de klas op de middelbare school, schuin in het schriftje van mijn klasgenoot kijken wat hij/zij opschreef. Later durfde ik wel te vragen of ik het even mocht overschrijven.
Thuis hele teksten doorlezen, om de les in te halen, want daar had ik tijdens de lessen niks van meegekregen. En de docent? Die had niks door...

3. Zelf heel veel praten. Zolang ik zelf aan het woord was, wist ik waar het gesprek over ging en was de kans op miscommunicatie een stuk kleiner. Totdat het onderwerp soms plotseling veranderde, zonder dat ik het in de gaten had. Tja, ik denk dat een paar klasgenoten van mij dan wel raar opgekeken hebben...

4. Heel goed naar het gezicht van de ander kijken, terwijl die persoon praat. Soms verstond ik er geen bal van, maar wist toch op het juiste moment 'ja, ja' te knikken of zoiets, waardoor de gesprekspartner het gevoel had van: ' ze verstaat me'.

En al deze strategieën zijn heel logisch.
Want stel dat ik toen assertief genoeg was om te zeggen dat ik het niet kon verstaan, dan moest ik elke halve minuut wel mijn vinger opsteken.
En eerlijk is eerlijk, dan ga je je toch ergeren aan doven?
En dan de laatste vraag ter overdenking:
bestaat er 1 persoon in de wereld die zo assertief is, dat als die in gezelschap verkeert waar de taal niet eigen is, zonder tolk, die dan elke halve minuut aan de bel durf te trekken?

Ik geloof er niks van...